Residentiële jeugdzorg en pleegzorg kijken samen naar wat wel kan
30 april 2021 

Residentiële jeugdzorg en pleegzorg kijken samen naar wat wel kan

‘Kinderen onder de twaalf horen niet thuis in een residentie’, klinkt het uit politiek Den Haag. ‘Residentiële bedden kosten te veel geld’, zeggen Nederlandse gemeenten. En in de samenleving heerst onbegrip over de lange wachttijden en de vele doorplaatsingen van kinderen. Stuk voor stuk voorstelbare noodkreten. Maar concrete oplossingen blijven uit: extra geld komt er niet en door een structureel tekort aan pleegouders is ook pleegzorg is niet het beloofde land. Of toch wel?
iHUB’s Carla Beerlink (manager pleegzorg en gezinshuizen Horizon) en Carina van Dam (locatiemanager Bergse Bos Horizon) herkenden bij elkaar de ambitie om het anders te willen doen. Om te onderzoeken wat er wél kan. Om te durven denken buiten de gebaande paden. In een notendop: hoe kun je pleegzorg (langdurig) toegankelijk maken voor -misschien wel- alle kinderen uit de residentiële jeugdzorg?

 

Allereerst: waarom is het voor jullie zo belangrijk dat zoveel mogelijk kinderen opgroeien in een pleeggezin?
Carla: “Ik werk al sinds 1996 bij pleegzorg. Ik ken zowel de residentiële jeugdzorg als de pleegzorg heel erg goed en één ding weet ik inmiddels zeker: de aanwezigheid van vaste opvoeders maakt een heel groot verschil in het succesvol opvoeden van kinderen van iemand anders. Continuïteit van de opvoeding is super waardevol voor ieder kind.”

Carina: “Kinderen worden in een residentie heel snel gehospitaliseerd. Ze krijgen te maken met regels en worden daar constant en door iedereen aan herinnerd. Dat is geen normale omgeving om in op te groeien. Maar kinderen wennen daar wel aan en leren niet hoe het er aan toe gaat in een normaal gezin. Dat blijkt ook uit cijfers: van de kinderen die doorstromen naar pleegzorg komt de helft terug. Dat geldt zeker voor jonge kinderen die lang bij ons hebben gewoond. Daarom vind ik dat er een rode loper naar de samenleving moet worden uitgerold voor deze kinderen.”

 

Waarom gebeurt dat nu niet?
Carla: “Er is natuurlijk een tekort aan pleegouders. Maar het gaat er ook over dat pleegouders zich vaak niet goed begeleid en ondersteund voelen. Of niet de draagkracht hebben om er fulltime voor een kind te zijn. Dan kun je denken: stop er maar mee, en dat gebeurt ook. Maar waarom moet het zo zwart-wit? Waarom kun je als residentiële zorg en pleegzorg niet meer met elkaar samenwerken en elkaar ondersteunen? Daar wilden wij iets mee.”

Carina: “Het is ook een andere manier van denken. Er zijn genoeg mensen binnen de residentiële jeugdzorg die het restrictieve karakter van de residentie eigenlijk wel goed vinden. Zeker voor kinderen met complexe problematiek. Het vergt lef en vertrouwen om te onderzoeken wat er óók voor deze kinderen mogelijk is in pleegzorg en hoe je ze vanuit de residentie toch kennis kunt laten maken met de gewone wereld.”

 

Welke alternatieven hebben jullie bedacht?
Carina: “Carla en ik hebben een hele mooie oplossing bedacht die we ‘My Place’ hebben genoemd. We richten ons op kinderen tussen de tien en veertien omdat die het lastigste te plaatsen zijn. We beginnen in augustus op een nieuwe groep.”

“Startpunt is dat kinderen zo lang op de groep mogen blijven als nodig is. Dus als er na de behandeling geen passende plek voor je is, blijf je gewoon hier. Maar om de groep heen zetten we vier of vijf pleeggezinnen. Van hen vragen we eerst of ze af en toe komen eten op de groep. Als er een klik is, kan een kind daarna een keer bij hen gaan eten. Zo zetten we die deur naar de samenleving open. Een kind leert wat ‘normaal’ is, hoe het er aan toe gaat in een gewoon gezin en hoe je je daar zelf in gedraagt.”

Carla: “Wij willen dat in het leven van ieder kind volwassenen komen die er altijd voor je zullen zijn. Uitgangspunt is natuurlijk dat kinderen weer teruggaan naar huis. Maar soms kan dat niet. Dan kan de combinatie pleegzorg – residentie een heel goede oplossing zijn. We beginnen laagdrempelig, we willen pleegouders en kinderen echt de tijd geven om aan elkaar te wennen en te kijken of er een klik is. Idealiter ontstaat er steeds frequenter contact. Een kind kan een keer gaan logeren, later misschien wel elk weekend. Ons streven is dat het uiteindelijk afscheid kan nemen van de behandelgroep.”

“Maar je kunt ook denken aan varianten waarbij een kind nog af en toe een paar dagen bij ons is, voor extra pedagogische ondersteuning of om het gezin te ontlasten. We willen maatwerk bieden in verschillende vormen. Denken in wat wél kan.”

 

Er is overal een tekort aan pleegouders. Hoe gaan jullie die gezinnen vinden?
Carla: “We gaan sowieso een nieuwe wervingscampagne opzetten. De boodschap die we willen overbrengen is dat je geen goede pleegouder hoeft te zijn om er een te worden. Omdat veel mensen meer in hun mars hebben dan ze denken. Juist die alledaagse eigenschappen zijn de perfecte basis om op verder te bouwen. Daarom wordt onze slogan: ‘Pleegouder worden; je hebt het in je.”

Carina: “We moeten ook de optie verkennen om voor sommige gezinnen de vergoeding te verhogen. Als we pleegouders de vergoeding van een gezinsouder kunnen geven, kan een ouder zo nodig zelfs minder gaan werken. Dat kost geld, maar nog altijd minder dan een jongere die tot zijn 18de in de residentie zit. Ik zeg niet dat alles kan, maar je moet het verkennen. Ik denk liever buiten de box dan dat ik alles binnen de kaders doe waardoor er niks verandert.”

Carla: “My Place is voor nieuwe pleegouders bovendien een mooie kans om heel vrijblijvend kennis te maken met kinderen in de jeugdzorg. Dat werkt drempelverlagend. Je gaat alleen verder als er een klik is – en dan ook nog in je eigen tempo.”

 

Jullie vragen uiteindelijk om een leven lang betrokken te zijn. Is dat niet te veel gevraagd?
Carina: “Dat valt wel mee, juist omdat de kennismaking zo laagdrempelig is en in fases gaat. Het gaat erom of er een natuurlijke klik ontstaat. Nu wordt er vaak op basis van papierwerk gematcht. Dat werkt gewoon niet altijd goed. Maar als er natuurlijke kliks gaan ontstaan, en ik ben ervan overtuigd dat dat gaat gebeuren, dan weet ik zeker dat de betrokkenheid duurzaam is.”

 

Een deel van de kinderen worstelt met complexe problematiek. Zijn dit soort constructies voor hen wel geschikt?
Carla: “Ik loop al even mee in deze wereld, en ik heb gezien hoe kinderen met complexe problemen uit de residentiële jeugdzorg goed zijn grootgebracht in een pleeggezin. Niet omdat het perfecte pleegouders zijn die alles goed doen, maar omdat áls er een klik is, ze voor dat kind willen gáán. Daarom is die matching ook zo belangrijk!”

“Op papier denk je vaak: wat heeft dit kind veel meegemaakt, dat gaat nooit werken. Maar als je kinderen leert kennen zie je wat voor moois er vaak nog in zit. Deze kinderen verdienen het echt dat we anders naar hen gaan kijken. Ook zij, of misschien wel juist zij verdienen een kans om op te groeien in een normaal gezin.”

 

Is de uiteindelijke ambitie dan: ieder kind een plek in pleegzorg?
Carla: “Mijn ideaal zou zijn dat ieder kind onder de twaalf hooguit voor een hele korte periode op de groep is, en daarna teruggaat naar zijn ouders of een pleeggezin. Dat ieder kind opvoeders om zich heen heeft die hem begeleiden naar volwassenheid: dat zou mijn droom zijn. En als het lukt om de behandeling die kinderen op de residentie krijgen in te zetten in pleegzorg of gezinshuizen, dan kunnen we de residentie misschien wel stoppen. Als ik diep van binnen kijk, zou dat mijn allergrootste wens zijn. En ik denk dat dit kan.”

 

Het opheffen van de residentiële jeugdzorg: is dat een goed idee?
Carina: “Ik ben het hartgrondig eens met de wens en het streven, maar ik ben hierin iets sceptischer dan Carla. Helemáál terug naar nul vind ik wel heel ambitieus. Ik denk dat er altijd kinderen in de residentie zitten die dit niet gaan kunnen. Die bijvoorbeeld regelmatige fysieke conflicten hebben of dingen in de brand steken. Ik zou het heel gaaf vinden maar ik ben benieuwd of het echt haalbaar is.”
Carla: “Maar hoe groot is dat percentage?”
Carina: “Niet heel hoog, vijf procent misschien, het gaat om 25 kinderen per jaar. Maar voor die kinderen is My Place wél een heel goed alternatief.”

 

Een kwart van de pleegouders stopt voortijdig. Ze vinden het te zwaar en ervaren een gebrek aan ondersteuning.
Carla: “Dat klopt. Ook daar gaan we mee aan de slag. In Amerika is het Mocking Bird Family Model ontwikkeld en dat gaan wij overnemen, als een van de twee aanbieders in Nederland. We hebben daarvoor subsidie gekregen van de Postcode Loterij en krijgen  in april hopelijk definitief groen licht.”

“Het idee is dat je van pleegzorg een soort community maakt. Vanuit de achterliggende gedachte: ‘it takes a village to raise a child’. Een ervaren pleegouder fungeert als ‘hub home-ouder’. Daaromheen zet je acht pleeggezinnen. Die hebben allemaal contact met elkaar en kunnen bij elkaar terecht voor praktische en emotionele support. De hub-ouder heeft permanent twee bedden vrij voor de kinderen zodat de pleegouders even kunnen bijtanken. In Engeland leidt dit model tot veel minder break downs van kinderen die terug moesten naar de residentie. Én tot minder vroegtijdige uitval van pleegouders. Als je elkaar steunt, hou je het gewoon langer vol.”

 

Het is duidelijk dat jullie ambitie heel erg ligt bij meer pleegzorg. Hoe is dat eigenlijk voor ouders?
Carla: “In het begin vinden ze dat vaak heel moeilijk. Voor hun gevoel wordt het dan ineens definitief. De residentie lijkt vaak nog tijdelijk, er is nog hoop op een terugkeer naar huis, zelfs als eigenlijk wel duidelijk is dat dat niet haalbaar is. Maar voor ouders kunnen pleegouders voelen als concurrenten.”

“Daar ligt een belangrijke taak voor pleegouders. We peperen dat er ook in bij de training: betrek de ouders en familie van het kind. Als je daar als pleegouder niet mee kunt dealen, mislukt de plaatsing vaak. Voor een kind is die betrokkenheid namelijk heel erg belangrijk. We zien dat als de ouders hun zegen geven, het kind de allerbeste kans heeft om goed op te groeien.”

 

Wat hebben jullie nodig om jullie ambities waar te maken?
Carina: “Ons enthousiasme moet doorsijpelen naar alle lagen van de organisatie. En het moet duidelijk zijn bij wie je moet zijn, hoe je de financiering kunt regelen, wat er nodig is van de gemeente, etc. We hebben het vertrouwen van zowel onze eigen organisatie als van onze partners echt nodig, omdat we maatwerk willen bieden dat per kind kan verschillen. Dan moet je bereid zijn net even dat stapje extra te zetten. We gaan er voor knokken om iedereen ervan te overtuigen dat dit te beste manier is.”

 

Ervaring uit de praktijk
Pleegouders Claudia en Hans en pleegdochter Natascha vertellen meer over hun ervaringen met de combi pleegzorg en residentiële zorg. Lees hier waarom Claudia en Hans er uiteindelijk voor kozen om pleegouders te worden van Natascha.


Auteur: Sonja Alferink

arrow_drop_up arrow_drop_down